Eindtijd in de Bijbel: toen en nu

De schrijvers van het Nieuwe Testament geloofden in een eindtijd: een moment waarop God zou ingrijpen in de aardse geschiedenis, waarbij er geoordeeld zou worden over het kwaad en het goede definitief zou winnen. In het Nieuwe Testament lees je dan ook meerdere uitspraken over wat er rond dit einde der tijden zou gaan gebeuren. Laten we eens kijken wat de eerste christenen hierover verwachtten. Wat moest er zoal gebeuren? En wat is er in de geschiedenis daadwerkelijk gebeurd?

Het eindtijdgeloof van de eerste christenen hield in de basis in:

  • een periode van grote onderdrukking, oorlog en chaos
  • Jezus’ tweede komst vanuit de hemel
  • opstanding uit de dood van alle gestorven gelovigen
  • een laatste oordeel
  • het definitief verslaan van Gods vijanden
  • de komst van een nieuw koninkrijk van God

Dit lees je bijvoorbeeld in Jezus’ rede over de eindtijd in Matteüs 24 en Marcus 13. Deze teksten beschrijven hoe er vóór de tweede komst van Jezus een periode zal zijn van oorlogen, hongersnood, opstanden, vervolging, een vlucht uit Judea en de verwoesting van Jeruzalem. Na die beproevingen zal God recht doen en het goede overwinnen.

Wat is er al gebeurd?

Een aantal eindtijd-achtige gebeurtenissen zien we al terug in de eerste eeuw. Kijk bijvoorbeeld naar deze uitspraken van Jezus:

  • In Matteüs 24:1-2 wijst Jezus op de tempel en zegt tegen zijn leerlingen: “Hebben jullie dat alles goed gezien? Ik verzeker jullie: geen steen zal op de andere blijven, alles zal worden afgebroken!”
  • In Lucas 21:20: “Wanneer jullie zien dat Jeruzalem door legertroepen omsingeld is, weet dan dat de verwoesting van de stad nabij is.”

Dit soort teksten waren geen verre toekomst: in de eerste eeuw kregen christenen te maken met politieke instabiliteit, vervolgingen, hongersnoden (zie Hand. 11:27-30) en uiteindelijk de Joodse Oorlog (66-70 n.Chr.), die uitmondde in de verwoesting van Jeruzalem en de tempel.

Concrete voorspellingen

We lezen in de Bijbel meerdere heel concrete beschrijvingen die direct te linken zijn aan de gebeurtenissen uit die tijd. Naast de verwijzingen naar het verwoesten van de stad en de tempel noemt Openbaring 11 bijvoorbeeld heel specifiek 42 maanden. In dat visioen zijn er een hemelse en een aardse tempel, en over die aardse wordt gezegd: “De voorhof (…) is bestemd voor de heidenen, die de heilige stad tweeënveertig maanden lang zullen vertrappen” (vs. 2-3). Die 42 maanden (3,5 jaar) komt overeen met de duur van de Joodse Oorlog. Ook de ‘wetteloze mens’ die zal plaatsnemen in de tempel en zich zal voordoen als God (2 Tess. 2:3-4) wordt wel gelinkt aan gebeurtenissen uit de eerste eeuw. De Romeinse keizer Caligula had in het jaar 40 opdracht gegeven om een enorm beeld van zichzelf in de tempel laten plaatsen, om zich te laten aanbidden als een god. Dit is er nooit van gekomen omdat Caligula niet lang daarna werd vermoord, maar het was een grote schok voor de Joden, een grove belediging van hun heilige tempel en dus van God.1

Goed voorspeld?

Is het niet wonderlijk dat dit allemaal precies zo is voorspeld? Nee, dat dan weer niet. Interessant hieraan is de datering: toen de teksten werden geschreven, waren veel beschreven gebeurtenissen al gebeurd of stonden op het punt te gebeuren. De evangeliën zijn bijvoorbeeld geschreven eind eerste eeuw. De traumatische gebeurtenissen rond de Joodse Oorlog en de verwoesting van de tempel kregen daar achteraf een plek in omdat het zo’n grote impact had op de Joodse gemeenschap.

Jezus’ komst – spoedig!

Dus: eind eerste eeuw waren de rampen, oorlog en verwoesting van Jeruzalem al gebeurd. Wat er nog overbleef aan eindtijdverwachtingen waren de tweede komst van Jezus, de opstanding van de doden, het eindoordeel en de komst van een nieuw koninkrijk. In de Bijbelteksten die hierover gaan, lees je een grote urgentie rond deze gebeurtenissen: ze verwachtten dit nog binnen hun eigen generatie. Dat zie je bijvoorbeeld in de volgende teksten:

  • “Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen de dood niet ervaren voordat ze het koninkrijk van God hebben zien komen in al zijn kracht” (Jezus tegen zijn luisteraars in Marc. 9:1).
  • “Ik verzeker jullie: voor je in elke stad van Israël bent geweest, is de Mensenzoon gekomen” (Mat. 10:23).
  • “Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren” (Jezus in Mat. 24:34).
  • Wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet” (Paulus in 1 Tess. 4:15-17).
  • Ja, Ik kom spoedig!” (belofte van Jezus in Openb. 22:20).

In de oorspronkelijke Griekse tekst zie je deze urgentie nog veel sterker terug; termen die daar gebruikt worden, zoals μέλλω en ἐγγύς, wijzen eerder op iets wat al op het punt staat te gebeuren, en niet ‘over duizenden jaren’.2 Die urgentie ging in veel moderne vertalingen enigszins verloren – misschien onbewust, misschien ook bewust, omdat latere vertalers hun eigen verwachting erin meenamen. Want het zal duidelijk zijn dat dit alles niet is gebeurd, en dat leverde al een probleem op in het vroege christendom. Op een gegeven moment was de hele generatie gestorven, en nu, tweeduizend jaar later, liggen de dode gelovigen nog steeds in hun graf.

Waarom lezen wij dit nog steeds als voorspellingen voor onze toekomst?

Toen veel van die gebeurtenissen uitbleven, moesten latere generaties de ‘spoedige’ gebeurtenissen opnieuw gaan interpreteren. Daarom werden teksten nu breder bekeken dan alleen in hun eigen context. Als het nog niet was gebeurd, dan kon het dus niet over die tijd gaan, dan moest het nog staan te gebeuren – want verkeerde voorspellingen konden het niet zijn. Toch wordt in de Bijbel keer op keer benadrukt dat het ‘spoedig’ zou gebeuren. Maar op dat probleem werd wat gevonden, zelfs al binnen de tijd waarin de Bijbel werd geschreven. De schrijver van 2 Petrus reageert expliciet op spottende omstanders die zeggen: “Waar blijft zijn komst?” Zijn antwoord: “Voor de Heer is één dag als duizend jaar” (2 Petr. 3:8). Oftewel: “het gebeurt binnen deze generatie” werd “het kan ook over een paar duizend jaar gebeuren”.

Zelfs binnen het Nieuwe Testament zie je dus al een verschuiving van een acute naar een uitgestelde verwachting. En die uitgestelde verwachting overheerst vandaag nog steeds, al bestaan daarin verschillende stromingen. ‘Deelpreteristen’ menen dat sommige voorspellingen al in de eerste eeuw zijn vervuld, zoals de verwoesting van Jeruzalem en een groot deel van de eindtijdrede, terwijl de wederkomst, de opstanding en het laatste oordeel nog moeten komen. ‘Futuristen’ zien bijna alle eindtijdprofetieën als nog toekomstig, al wordt wel erkend dat sommige teksten óók betrekking hebben op de gebeurtenissen rond de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus. Daarnaast meent een kleinere stroming (‘volpreteristen’) dat alle eindtijdprofetieën, inclusief de komst en het oordeel, al in de eerste eeuw zijn vervuld.3

Andere eschatologische begrippen

Maar vergeet je niet iets? Er staat toch nog veel meer te gebeuren? Tsja, nu tweeduizend jaar later bestaat er een nog veel uitgebreider plaatje van de eindtijdgebeurtenissen. De verwachtingen zijn hier en daar uitgebreid met een ‘opname van de gemeente’, een ‘grote verdrukking’ onder leiding van ‘de Antichrist’, kosmologische verschijnselen zoals een zonsverduistering en een bloedmaan, een ‘duizendjarig vrederijk’ en de tempel zal wéér worden hersteld. Hoe zit het daarmee?

De opname van de gemeente

Volgens sommigen zullen in de eindtijd alle gelovigen plotseling van de aarde worden weggenomen om naar Jezus te gaan. Deze ‘opname van de gemeente’ (in het Engels: the rapture) is nadrukkelijk geen directe Bijbelse voorspelling. In de Bijbel zelf en in het vroege christendom vind je dat geloof niet. Dit kwam pas op in de negentiende/twintigste eeuw, doordat theologen als John Nelson Darby en Cyrus I. Scofield aan het interpreteren sloegen. Over het ontstaan van die denkbeelden kun je in lezen in de blog ‘De rapture-mythe en andere gevaarlijke eindtijduitvindingen’.

De Antichrist en de grote verdrukking

Na die zogenaamde opname van de gemeente komt er voor de achterblijvers een grote verdrukking onder leiding van de Antichrist, zo stellen sommigen. Maar die ‘grote verdrukking’ uit Openbaring 7:14 verwijst ook gewoon weer naar de Joodse Oorlog in de tijd van de eerste lezers, en het beest uit Openbaring verwijst naar Nero (zie daarover de blog ‘Wat betekent het Bijbelboek Openbaring?’). Toch zijn sommigen dit gaan zien als iets wat nog moet gebeuren, met één Antichrist voorop.

Opvallend genoeg zegt de Bijbel maar weinig in de richting van één toekomstige ‘Antichrist’. Het woord komt alleen voor in 1 en 2 Johannes. Daar blijkt dat veel mensen uit die tijd geloofden in een antichrist, een bovennatuurlijke figuur die een valse leer verspreidt – de schrijver van deze brieven verwijst expliciet naar dit geloof onder de mensen. Maar hij benadrukt vervolgens juist dat er niet één antichrist is, maar dat in feite iedereen die een bedreiging vormt voor de kerk er een is:

  • “U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Nu al treden er veel antichristen op” (1 Joh. 2:18).
  • “Bestaat er een grotere leugenaar dan iemand die ontkent dat Jezus de christus is? Wie de Vader en de Zoon niet erkent, is de antichrist” (1 Joh. 2:22).

In Openbaring komt de benaming antichrist niet voor. Het huidige beeld van ‘de Antichrist’ is eigenlijk een combinatie van verschillende beschrijvingen van anti-christelijke figuren, zoals de antichristen van Johannes, de valse profeet en het beest uit Openbaring, de wetteloze mens uit 2 Tessalonicenzen en een aantal vijandige figuren uit Daniël.4 5

Kosmologische verschijnselen

Onder de chaos-beschrijvingen in de Bijbel worden ook vaak kosmische verschijnselen genoemd zoals een zon- en maansverduistering, een bloedrode maan en sterren die uit de hemel vallen. Voor moderne lezers lijken dat letterlijke voorspellingen van astronomische gebeurtenissen, en sommigen letten dan ook goed op dit soort verschijnselen. Maar binnen de Joodse apocalyptische literatuur was het heel gebruikelijk om ingrijpende politieke en religieuze omwentelingen te beschrijven aan de hand van zulke verschijnselen, die dan figuurlijk bedoeld waren. Voor eindtijdbeschrijvingen vinden veel christenen dit nog wat moeilijk te beseffen, maar bedenk dat de Bijbel wel vaker poëtische overdrijvingen gebruikt voor Gods macht. In Psalm 114 wordt over Israëls uittocht uit Egypte beschreven dat de zee wegvluchtte, bergen opsprongen en heuvels begonnen te huppelen. Toch zal niemand denken dat bij die vlucht uit Egypte letterlijk de bergen van hun plek sprongen.

Duizendjarig vrederijk

Het geloof in een duizendjarig vrederijk ontwikkelde zich vanaf de tweede eeuw, op basis van Openbaring 20:1-3: “Een engel uit de hemel (…) greep de draak, de slang van weleer, die ook duivel of satan wordt genoemd, en ketende hem voor duizend jaren. Hij gooide hem in de diepte, sloot de put boven hem en verzegelde die, opdat de volken niet meer door hem misleid zouden worden tot de duizend jaar voorbij waren.” Johannes beschrijft in zijn hemelse visioen hoe Satan voor duizend jaar wordt geketend, en dat Jezus samen met de opgestane heiligen regeert in die periode – later werd dit het ‘millennium’ genoemd. Maar nergens anders schrijft de Bijbel expliciet over duizend jaar vrede. Johannes geeft er verder ook geen uitleg bij. Bedoelde hij het letterlijk? Of was het symbolisch?

In de tweede eeuw begonnen sommige christenen op basis van dit vers een letterlijk duizendjarig koninkrijk op aarde te verwachten, onder wie Papias van Hiërapolis, Justinus de Martelaar en Ireneüs van Lyon. De theorieën hierover werden steeds uitgebreider; er werden nu ook teksten uit Daniël en Jesaja aan gekoppeld. Dit vrederijk zou plaatsvinden in een totaal vernieuwd Jeruzalem, en dáárna zou het eindoordeel komen. Maar dit was niet algemeen aanvaard: in Dialoog met Trypho wijst Justinus er al op dat op dit vlak “velen die tot het zuivere en heilige geloof behoren, en oprechte Christenen zijn, anders denken”.6 En dit geloof veranderde al snel toen ook de komst van dit vrederijk uitbleef, en dus werd het steeds vaker symbolisch uitgelegd. Augustinus (4e-5e eeuw) legde het later bijvoorbeeld uit als een symbolische beschrijving van de huidige tijd van de kerk.7

De herbouw van de tempel

Gekoppeld aan dit duizendjarig vrederijk uit Openbaring is de verwachting dat de tempel in Jeruzalem opnieuw hersteld zal worden. In Openbaring 11-16 wordt namelijk uitgebreid een hemelse tempel beschreven, en in hoofdstuk 21-22 daalt vervolgens een nieuw Jeruzalem neer uit de hemel. Hoewel er wel enkele vroege christenen waren, zoals Justinus, die daarom een fysiek hersteld Jeruzalem verwachtten, speelde een toekomstige derde tempel eeuwenlang geen centrale rol in de christelijke eindtijdleer. Die tempel uit Openbaring was een hemelse tempel, en niet meer dan dat. Veel auteurs uit de tweede eeuw zagen de verwoeste aardse tempel juist als iets definitiefs: de tempel was vervangen door Christus en zijn gemeenschap. Dit staat ook zo genoemd in Openbaring 21:22: “Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam.” Openbaring eindigt dus niet met een herbouwde tempel, maar juist met een nieuwe werkelijkheid waarin een tempel overbodig is geworden.

Het idee van een derde tempel werd pas echt populair in de negentiende eeuw, samen met de theorieën over een opname van de gemeente, de Antichrist en de grote verdrukking, in de uitgewerkte routekaart voor de eindtijd die John Nelson Darby en de Scofiel Reference Bible in het leven riepen. Sindsdien zijn er groepen christenen die dit als concrete toekomstverwachting zien, vooral in evangelische en mormoonse kringen.

Wat nu?

Veel christenen vandaag wijzen op onze huidige wereld vol oorlogen, hongersnoden en geopolitieke spanningen, als bewijs dat de eindtijd nabij is. Het is dan ook heel makkelijk om actuele gebeurtenissen terug te lezen in Bijbelse eindtijdteksten, aangezien rampen en oorlogen van alle tijden zijn. Generatie na generatie dacht al dat zij in de eindtijd leefden: van de val van Rome tot de kruistochten, de wereldoorlogen, de Koude Oorlog en de huidige wereldspanningen. Maar de eerste christenen dachten precies hetzelfde over hun eigen tijd. Voor hen leek het onmogelijk dat de wereld nog eeuwen zou doorgaan. En toch gebeurde dat.


Meer lezen?

  • Britannica, online encyclopedie, topic ‘Eschatology’, te raadplegen via http://www.britannica.com/topic/eschatology
  • Mateusz Kusio, The Antichrist Tradition in Antiquity: Antimessianism in Second Temple and Early Christian Literature (Mohr Siebeck: 2020).
  • Michelle Fletcher, ‘The Book of Revelation’, in: Companion to the New Testament: Introduction, Interpretation, Application, ed. Michelle Fletcher en James Crossley (SCM Press: 2024).
  • Paula Fredriksen, ‘The Future of the End’, in Ancient Christianities: The First Five Hundred Years (Princeton University Press: 2024), p. 90-104.

  1. Onder anderen nieuwtestamenticus David Burnett ziet deze poging van Caligula als de meest directe historische achtergrond van 2 Tessalonicenzen 2. Hij legt dit uit als imperial temple sharing: een vaker voorkomende praktijk waarbij Romeinse keizers zich goddelijke eer toe-eigenden in tempels. D. Clint Burnett, ‘“Seated in God’s Temple”: Explicating 2 Thess 2:4 from Epigraphic and Archaeological Sources Connected to Roman Imperial Divine Honors’ in Lexington Theological Quarterly Vol. XLVIII, Fall & Winter 2018, No. 3-4 (Oct 17, 2019).
    Sommige uitleggers denken overigens dat Paulus niet alleen maar verwijst naar Caligula, maar dit hier gebruikt als voorbeeld voor een net zo tirannieke heerser die er weer zal komen. In beide gevallen sluit het direct aan bij de politieke en religieuze spanningen van de eerste eeuw. ↩︎
  2. Zie voor diepgaandere uitleg over deze termen André Wolthuis, Volheid, deel 3, hoofdstuk 53: ‘De alledaagse betekenis van de tijdsbepalingen’, p. 199-216. ↩︎
  3. Voor uitleg over deze theorie raad ik de driedelige boekenreeks Volheid van André Wolthuis aan (Arrowz: 2026). ↩︎
  4. http://www.debijbel.nl/wereld-van-de-bijbel/kennis-achtergronden/christelijk-geloof/antichrist. ↩︎
  5. Kusio, p. 115-149. ↩︎
  6. Justinus de Martelaar, Dialoog met Trypho, hoofdstuk 80: ‘Justin over het duizend jarige rijk’. Vertaald door Jim Sabelis, 2023. ↩︎
  7. Aurelius Augustinus, De stad van God, boek XX, hoofdstuk 7-9. ↩︎

Bijbelteksten zijn overgenomen uit de NBV21, © 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap.


Ontdek meer van Er stond geschreven

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie

Mogelijk gemaakt door WordPress.com.

Omhoog ↑

Ontdek meer van Er stond geschreven

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder