Van sjeool tot Dante: de evolutie van de hel

Wie de Bijbel er kritisch op naslaat, ontdekt iets verrassends: de hel zoals wij die kennen, als een plek van eeuwige pijn en vuur, komt er helemaal niet in voor. Sterker nog, de Bijbel kent niet één eenduidig beeld van het lot van zondaars na de dood, maar twee verschillende: eentje in het Oude Testament en eentje in het Nieuwe. En die zijn weer anders dan het klassieke beeld van de hel dat wij nu kennen. Laten we bekijken hoe het beeld over het lot van zondaars in het hiernamaals langzaam verschoof.

Oude Testament: iedereen ging naar dezelfde plek

Voor de Joden uit de oudheid was de dood geen kwestie van hemel of hel. Alle mensen, goed of slecht, daalden af naar sjeool, de onderwereld. Dit was een neutrale schaduwwereld van stilte en vergetelheid, en het eindpunt van het bestaan. Deze visie zie je dan ook vooral terug in het Oude Testament (bijv. Psalm 6:6; Psalm 88; Prediker 9:10).

Tegen de laatste eeuwen voor Christus begint dit beeld langzaam te verschuiven. Het Joodse volk wordt onderdrukt, en de voorspelde betere tijden komen maar niet. Te midden van dit onrecht ontstaat de overtuiging dat God later wel recht zal zetten wat op aarde verkeerd gaat. Want het kan toch niet zo zijn dat het de goddelozen goed gaat in dit leven, en zij die trouw zijn aan God alleen maar ellende te verduren krijgen? Er móét wel ergens rechtgedaan worden aan deze situatie, als het niet hier op aarde is, dan wel ná dit leven.

Zo doet het idee van een eindoordeel zijn intrede, en de eerste apocalyptische ideeën komen op: het idee dat God op een dag alle doden weer tot leven zal brengen en over hen zal oordelen. Sommigen zullen dan eeuwig leven krijgen, anderen worden afgewezen. Enkele late oudtestamentische teksten zoals Daniël 12 laten al iets zien van die ontwikkeling.

Nieuwe Testament: hoop op een rechtvaardeel oordeel

Het Nieuwe Testament neemt dit Joodse denkbeeld over, maar plaatst het in een andere context, deels onder invloed van Griekse denkbeelden. In de Griekse vertaling van het Oude Testament, die de vroege christenen gebruikten, werd sjeool vertaald met hades. Dat woord was al beladen met mythische associaties; in de Griekse mythologie kende hades een plaats van straf en een plaats van beloning. Toch blijft de betekenis in de eerste christelijke teksten nog sober: hades is het domein van alle doden, niet een eeuwige martelkamer.

Kijken we verder in het Nieuwe Testament, dan is het aantal concrete teksten over zondaars in het hiernamaals beperkt. In de woorden van Jezus en Paulus zien we vooral de apocalyptische verwachting terug dat God aan het einde van de tijd de doden zal opwekken en zal oordelen over iedereen. De focus ligt erop dat het recht zal zegevieren over het kwaad en dat de rechtvaardigen uiteindelijk gered zullen worden. Jezus schetst daarbij een contrast tussen enerzijds leven en anderzijds dood (zie Matteüs 7:13-14; Marcus 8:35-36; Johannes 10:28). Hij heeft het niet over een eindeloos lijden. Zijn boodschap luidt vooral: rechtvaardigen zullen eeuwig leven ontvangen, zondaars krijgen dat niet.

De hel is een latere uitvinding

Naast wat we in de Bijbel zelf kunnen lezen, bestaan er nog honderden andere teksten uit de begintijd van het christendom. Historicus Jan Bremmer wijst er in zijn The Rise and Fall of the Afterlife op dat ook in andere vroegchristelijke teksten nauwelijks verwijzingen te vinden zijn naar een hel. Ook daarin ligt de focus vooral op het vooruitzicht van redding. Beschrijvingen van de hel doen pas hun intrede rond de tweede à derde eeuw. Pas als het christendom het Romeinse Rijk overneemt, raakt men gefascineerd door de vraag: hoe ziet dat oordeel er dan uit?1

Denkers hierover boden kleurrijke antwoorden op basis van enkele vage bewoordingen over ‘vuur’, ‘straf’ en ‘eeuwig’ die ze in de Bijbel vonden (hierover straks meer), gecombineerd met beelden uit Joodse apocalyptische visioenen en Griekse mythes. Ze beschreven rivieren van vuur, duivels die zondaars folteren en eeuwige pijn. Er verschenen ‘openbaringen’ met gedetailleerde beschrijvingen van hoe het er in het hiernamaals aan toegaat (de bekendste zijn de Openbaring van Petrus uit de 2e eeuw en de Openbaring van Paulus uit de 4e eeuw).

Zulke teksten haalden nooit de Bijbel, omdat de kerk ze als niet authentiek beschouwde. Toch waren ze populair en hadden ze grote impact op de beeldvorming. Langzamerhand groeiden die ideeën uit tot het beeld van de hel dat wij zo goed kennen, met Dantes Inferno in de middeleeuwen als hoogtepunt. (Lees hierover ook de blog ‘Waar komt ons idee van de hel vandaan?’.)

Letterlijk of figuurlijk?

Die verder ontwikkelde denkbeelden bevestigden vervolgens het idee dat sommige Bijbelteksten waren bedoeld als ‘helteksten’, ook als dat oorspronkelijk niet zo was. Dit ging om verzen waarbij inderdaad termen gebruikt worden als ‘jammeren’, ‘eeuwig’ en ‘vuur’; het aantal passages is op één hand te tellen. Matteüs 8:12 zegt bijvoorbeeld dat velen ‘zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden’. Interpreteer je dit door de bril van een hel zoals wij die kennen, dan lijkt dit te wijzen op een plek van pijn.

Bijbelwetenschappers verschillen soms van visie over hoe zulke teksten oorspronkelijk bedoeld waren, maar vooraanstaande onderzoekers als Bart Ehrman en Dale Allison zijn ervan overtuigd dat deze bewoordingen vooral krachtige metaforen zijn. De Bijbel staat immers vol van beeldspraak, waarvan we het meeste niet letterlijk nemen. God is niet echt een rots en Jezus is niet echt een lam, al worden ze nog zo vaak zo genoemd. En als Jezus spreekt over een zaaier en het zaad zal niemand denken dat hij echt instructies gaf voor landbouw. Waarom zouden we gepassioneerde beschrijvingen over het lot van zondaars dan wel letterlijk opvatten?

‘Jezus zegt niet dat zij die uitgesloten worden gemarteld zullen worden, en hij spreekt ook niet over eeuwig vuur’ – Bart D. Ehrman

Ehrman zegt over Matteüs 8 dan ook: ‘Jezus zegt hier niet dat zij die uitgesloten worden gemarteld zullen worden, en hij spreekt ook niet over eeuwig vuur. In plaats daarvan gaat het om een rijk van duisternis. Dat is zonder twijfel beeldspraak: buiten het koninkrijk ligt de wereld van de onwetenden (die ‘in het donker’ zijn). Daar is verdriet en wanhoop, gejammer en tandengeknars, omdat zij te laat beseffen welke eeuwige vreugde zij hebben misgelopen.’2

Hetzelfde geldt voor een tekst als Matteüs 13:42, waar staat dat engelen de onrechtvaardigen ‘in de vuuroven werpen’. Ook dit moet volgens hem niet letterlijk worden opgevat; het is onderdeel van een gelijkenis waarin het staat voor eeuwige vernietiging. Idem voor Matteüs 25:46; de ‘eeuwige bestraffing’ waarover Jezus spreekt moet uitgelegd worden als de definitieve dood, die immers eeuwig is. Dit wordt bevestigd door wat er volgens Openbaring zal gebeuren bij het eindoordeel: zelfs de dood en het dodenrijk worden uiteindelijk vernietigd (Openbaring 20:14). Er zál geen dodenrijk meer zijn.

Lazarus

Ook het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus (Lucas 16) gingen mensen interpreteren als een letterlijke beschrijving van hemel en hel. Hier lijkt Lazarus in een paradijs te zijn, terwijl de rijke man in hades lijdt. Dit verhaal insinueert dat er consequenties zullen zijn voor rijkdom en onrecht, maar het lijkt niet bedoeld te zijn als een letterlijk inkijkje het hiernamaals. Het volgt in een reeks van gelijkenissen over het eindoordeel. En gelijkenissen geven altijd een symbolische uitleg.

Net zo zal niemand uit de gelijkenis van de kameel die door het oog van de naald kruipt de conclusie trekken dat er daadwerkelijk kamelen komen kijken bij het eindoordeel. En niemand zal beweren dat er écht iemand was met een balk in zijn oog, die een ander erop wees een splinter in zijn oog te hebben. Het zijn parabels, voorbeelden die iets duidelijk willen maken. Net zo hoeven we er bij de gelijkenis van Lazarus niet van uit te gaan dat het er bij dat eindoordeel exact zo uit zal zien als beschreven. Jezus geeft hier geen geografische feiten, maar illustreert iets aan de hand van beelden die bekend zijn voor de luisteraars van die tijd.

Openbaring

In Openbaring komen we daadwerkelijk een vuurpoel en eeuwige vlammen tegen. Dit Bijbelboek beschrijft een levendig visioen van hoe iedereen aan het eind der tijden wordt geoordeeld naar zijn daden: rechtvaardigen krijgen het eeuwige leven, zondaars worden in de vuurpoel gegooid. Het hele boek Openbaring beschrijft in rijke visioentaal hoe het recht zal overwinnen. Lezers uit die tijd waren bekend met het genre en zullen dit als symbolisch hebben herkend, hoewel andere christenen het ook wel letterlijk gingen opvatten. Figuurlijk gezien staat dit ‘vuur’ voor de definitieve vernietiging van alles wat zich tegen God verzet.

Gehenna

Met de term Gehenna, die geregeld opdruikt in het Nieuwe Testament, is nog iets anders aan de hand. Matteüs 10:28 zegt: ‘Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Dan kun je beter bang zijn voor Hem die beide, ziel en lichaam, kan laten omkomen in de Gehenna’ (NBV21). Dat Gehenna is meer dan eens geïnterpreteerd als de hel, maar voor lezers uit die tijd was duidelijk dat dit verwees naar het beruchte Hinnomdal bij Jeruzalem, waar afval smeulde, lijken werden verbrand en waar in donkere tijden zelfs mensenoffers werden gebracht. Die plaats stond voor alles wat slecht was, en Jezus gebruikte dit als waarschuwing voor wie zich tegen God keert.

Sommige Bijbelvertalingen vertaalden Gehenna echter letterlijk als ‘hel’, waaronder de Statenvertaling en enkel vertalingen die daarop volgden. Ook bij de term sjeool/hades gebeurde dit – hoewel de Joden van het Oude Testament helemaal niet in een hel geloofden zoals wij die kennen, en ze het dus nooit zo bedoeld konden hebben. Het idee van een strafplaats na de dood was in veel christelijke tradities al gekoppeld aan Gehenna, en de vertalers volgden die overtuiging. Deze vertaalslag versterkte het beeld van de hel dat al leefde onder veel christenen. De Nieuwe Bijbelvertaling zette dit weer recht door sjeool te vertalen als ‘dodenrijk’ en Gehenna gewoon als ‘Gehenna’.

De Bijbelse kern

De Bijbel schetst geen plek waar mensen eindeloos worden gefolterd. Dat beeld is pas later ontstaan. De enige aanleiding die we daarvoor in de Bijbel vinden zijn enkele losse bewoordingen die meer figuurlijk dan letterlijk lijken te zijn bedoeld. Kijk je terug naar de bronnen, dan zijn dit de feiten:

  • Oude Testament: de dood is een schaduwwereld waar iedereen naartoe gaat.
  • Nieuwe Testament: er komt een dag waarop God zal oordelen over iedereen, met enerzijds leven en anderzijds de dood.

Het tragische is dat het angstaanjagende helbeeld uiteindelijk de norm werd, terwijl het niet het beeld is dat Jezus leerde, en ook niet wat de Bijbel ons vertelt. Als we eerlijk kijken wat de Bijbel zegt, is een plek van eeuwige marteling moeilijk hard te maken. Een bevrijdende ontdekking, die de angel haalt uit eeuwen van angstpreken.


  1. Bremmer, ‘The Development of the Early Christian Afterlife’, in The Rise and Fall of the Afterlife, p. 56-70. ↩︎
  2. Ehrman, Heaven and Hell, p. 131. ↩︎

Meer weten?

  • Bart D. Ehrman, Heaven and Hell: A History of the Afterlife (Simon & Schuster, 2020).
  • Bart D. Ehrman, podcastaflevering ‘Am I going to hell? What the New Testament says about death and the afterlife’, in Misquoting Jesus with Bart Ehrman.
  • Dan McClellan en Dan Beecher, podcastaflevering ‘The Dans go to hell’, in Data over Dogma.
  • Jan Bremmer, The Rise and Fall of the Afterlife: The 1995 Read-Tuckwell Lectures at the University of Bristol (Groningen, 2005).
  • Jon M. Sweeney, Inventing Hell: Dante, the Bible and Eternal Torment (Jericho Books, 2014).
  • Philip S. Johnston, Shades of Sheol: Death and Afterlife in the Old Testament (IVP Academic, 2002).


Ontdek meer van Er stond geschreven

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Een gedachte over “Van sjeool tot Dante: de evolutie van de hel

Voeg uw reactie toe

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑